Net 13 was ze toen haar moeder overleed. Aan kanker. In een periode, nu ruim 30 jaar geleden, toen er over de dood niet openlijk over werd gesproken. En er waren al helemaal geen programma’s op tv zoals ‘Liefde voor later’. Daar worden gezinnen gevolgd waarvan vader of moeder ongeneeslijk ziek is. Om ervoor te zorgen dat hun kinderen later nog iets waardevols hebben van hun vader of moeder worden tastbare herinneringen verzameld. Huilend kijkt zij deze programma’s, verdrietig omdat zij in haar gezin nooit die openheid heeft ervaren dat de dood van haar moeder bespreekbaar was. En met elkaar het verdriet delen was er al helemaal niet bij. Haar moeder werd doodgezwegen…

Opgelegde overtuigingen

“Je bent de oudste. Goed voor je vader, zusjes en broertje zorgen” werd haar als goedbedoeld schouderklopje meegegeven, in plaats van dat er naar haar geluisterd werd en haar verdriet er mocht zijn. Op die leeftijd behoor je gewoon ‘kind’ te kunnen zijn en te spelen. Dan hoor je niet in constante verwarring te zijn omdat je niet kan en wil voldoen aan de opgelegde verantwoording door anderen om voor een heel gezin te moeten zorgen. Want dat kan niet. En dat wil je ook niet.

Dus besloot zij om, zoals anderen van haar verwachtte, ‘een grote meid’ te zijn. Na tijdens de begrafenis alleen maar te schreeuwen, niet wetend hoe haar verdriet op een andere manier te uiten, voldeed ze aan dat beeld aan de buitenwereld. Dat wil zeggen: als het gaat over haar intense pijn en verdriet om het verlies van haar moeder. Verder was ze, heel even dan, een doodgewone puber.

“Erg voor je”.

Dat was het enige wat haar door anderen vaak goedbedoeld werd gezegd. Maar zij gaf ook niemand de ruimte ernaar te vragen, niet wetend hoe om te gaan met de intense pijn en het verdriet. Omdat zij dat niet had geleerd. Het mocht er voor haar gevoel nooit zijn. Een ‘grote meid zijn’ en ‘doorgaan’ waar zij krampachtig aan voldeed, met alle gevolgen van dien. Niet wetend ook hoe om te gaan mocht ze wel aandacht hiervoor van anderen krijgen. Ze was eerder geneigd de ander te troosten omdat ‘ie het moeilijk had haar hierover te bevragen.

Boos

Bijna 50 is ze nu. Pas nu durft en kan ze haar innerlijk kind de ruimte geven om te rouwen; écht te rouwen. De pijn en het verdriet te voelen en te doorleven. Nu hoeft ze zich niet meer groot te houden, zoals iedereen dat van haar verwacht.
Eindelijk durft ze boos te zijn op haar moeder. Heel boos. Omdat die haar in de steek liet door dood te gaan op een moment dat een kind haar moeder juist heel hard nodig heeft.
Ook op haar vader is ze boos. Woedend zelfs! Omdat er tot op de dag van vandaag nooit over haar moeder werd gesproken na haar dood. Net als zoveel andere ‘moeilijke dingen’ werd vooral deze situatie doodgezwegen. Dus was er voor haar en de andere kinderen binnen het gezin geen ruimte om te rouwen om hun moeder of de gedachte aan haar levend te houden. Iets waar zij allemaal op latere leeftijd last van zouden houden. Omdat zij niet leerden hoe met elkaar te communiceren.

Volle rugzak

Ze worstelt zich nu los van alle opgelegde overtuigingen waaraan zij al die jaren (on-)bewust aan wilde voldoen of zich juist heel erg tegen verzette. Er vaak door in een kramp schoot, niet wetend hoe er op een andere manier mee om te gaan, omdat de hare niet altijd de meest handige bleek. En haar rugzak zich nog meer vulde met ballast.

Tijd om te rouwen

Een kind hoort gewoon een moeder te hebben. En ook nu nog, al die jaren later, gaat er bijna geen dag voorbij dat ze aan haar denkt. Alleen heeft ze nu pas de ruimte voor zichzelf gevonden om te rouwen.

En dat doet ze dan ook.
Al schrijvende…